Eric Wetzels
TIM-verslaggever 14 oktober 2020

Terug naar toen: Maastricht en historische ‘lockdowns’

Corona woedt in Nederland. Soms zwakt het virus wat af, maar even later stijgt de spanning weer en neemt de besluitvorming in strengheid toe. Na de nationale vergrendeling in de periode van maart tot juni 2020 begon alles weer wat te verzachten en nam het reguliere leven zijn oude vorm weer een beetje aan. Veel mocht weer, maar wel met afstand en mondmaskertjes op. Het hamsteren uit de beginperiode is voorbij, voedseldistributie is immers verzekerd. De protesten over wat er niet mag laaien op en doven dan weer. En nu – heel voorspelbaar na de vakanties en op het moment dat iedereen denkt weer gewoon te kunnen leven – worden we geconfronteerd met een tweede golf en aangescherpte maatregelen. Hoe gaan we daar mee om? En hoe deden we dat vroeger? Hier alvast een voorproefje van een tekst uit Jaarboek 2020.

Carnaval 1991, Wolfstraat, café De Bóbbel. [foto overgenomen uit Jaarboek Maastricht 1991, p. 15. Fotograaf: John Beenkens]

Historische vergrendelingen
De vergrendeling die we nu meemaken heeft zijn parallellen in de Maastrichtse geschiedenis. Al is de gelijkenis niet volledig, de handelwijze en reacties van burgers vertonen redelijke gelijkenis. In gevallen van crisis en belegering gingen de Maastrichtse stadspoorten dicht. Er werd voedsel en munitie gehamsterd en verboden werden uitgevaardigd. De overheid nam besluiten voor het hogere doel, de burgers moesten luisteren en de geboden en verboden opvolgen. Die vergrendeling trad niet op bij de vele epidemieën die we tussen de dertiende en twintigste eeuw gehad hebben. Die moest men gewoon uitzitten en velen Maastrichtenaren stierven. Maar inperking van de bewegingsvrijheid was ook toen aan de orde.
Tot het moment waarop Maastricht in 1867 de status van vestingstad verloor, was de stad omringd door hoge muren met poorten en torens en gingen de stadspoorten iedere avond bij zonsondergang dicht, én op slot. De poorten gingen dicht voor de veiligheid van de bewoners en om spionnen en belegeraars geen ongemerkte en eenvoudige toegang tot de stad te verschaffen. In tijden van belegering zal het voor de stadsbewoners spannend zijn geweest. De vijand voor de muur, de levende have en voorraad binnen de muur en kanonbeschietingen op het centrum van de stad. Omliggende boerenhoeves werden daarbij afgebroken en vee werd binnen de muren gebracht. Tot 1867 was binnen de stadsmuren veel ruimte, met name in het noordelijke gebied. Er waren daar grote tuinen en fruitboomgaarden. Voedsel kon zelfs voor een deel binnen de stadsmuren verbouwd worden, al moest men het bij lange belegeringen vooral hebben van de voorraden opgeslagen op de zolders met hoge daken van de Maastrichtse huizen.

1634 en 1671
Na de inname van Maastricht door de Staatse troepen van Frederik Hendrik in 1632 lagen twee jaar later de Spanjaarden voor de deur. De magistraat verplichtte op 11 september 1634 alle burgers om ‘provisie op te doen’ die voldoende zou zijn voor een periode van anderhalf jaar. Enkele maanden eerder hadden de Staatsen het vee van de omliggende plaatsen al binnen de stad laten drijven. De gedachte was dat de belegering lang zou duren. Pas in 1648 was de Tachtigjarige Oorlog ten einde en kon men weer even rustig ademhalen. Hoewel …
In 1671 werd er al weer druk munitie gehamsterd, in verband met een gerucht dat een oorlog met Frankrijk aanstaande was. Ook moesten alle huizen en schuren die van strooien daken voorzien waren met pannen gedekt worden, om zodoende bij beschietingen minder brandgevaar op te leveren. In 1672 beval de raad alle burgers om voor zes maanden levensmiddelen aan te schaffen. Dat dit zinvol was bleek toen de tactiek van de Franse koning bestond uit het afsnijden van alle toevoeren naar de stad. En het gerucht werd werkelijkheid in juni 1673, toen de stad belegerd werd. En in 1748 was de stad weer aan de beurt. Net als in 1794.

1830
Iets wat al concreter op onze ‘lockdown’ lijkt, is de situatie in 1830, toen België zich afscheidde van Nederland. De stad werd op slot gedaan als gevolg van de Belgische opstand, de commercie lag volledig stil en men mocht niet wandelen buiten de poorten of op de wallen zonder de toestemming van de magistraat. Vreemden werden aan de stadspoorten geweerd. Generaal Dibbets, aangesteld als commandant van de vesting, was de baas op dat moment. Belgische troepen hadden de stad omsingeld en de staat van beleg zou tot 1833 duren. Duizenden militairen bepaalden wat er gebeurde. Dat was extra pikant omdat er ook vele Maastrichtenaren waren die het eens waren met de opstandige Belgen en hun kant kozen, tegen het Nederlandse opperbevel.
In 1839 werd België zelfstandig en Maastricht bleef onderdeel van Nederland. Door deze tijdelijke afsluiting van de stad werd de richting van de opkomende industrie bepaald. Als gevolg van het totale gebrek aan grondstoffen in de jaren 1830 nam industrieel Petrus Regout het besluit om alles wat zijn fabrieken nodig hadden zelf te gaan fabriceren. Het zorgde voor grote werkgelegenheid en (bouw)activiteiten in de stad, met name ten westen van het bassin. Zo kan een ‘lockdown’ naast overlast veroorzaken ook positieve gevolgen hebben en de economie sturen en bepalen.

1918
De grootste gelijkenis met onze huidige situatie is de toestand in 1918, toen de Spaanse griep heerste in Europa. De verspreiding van het virus werd met name veroorzaakt door militairen die terugkeerden van de Grote Oorlog en de publieke ontvangsten die hen ten deel vielen. Een groot probleem was dat men de ziekte onvoldoende in beeld had (oorzaak en verspreiding) en dat de medische stand veel minder ver was ontwikkeld, vergeleken bij nu. Toch wist men dat maatregelen nodig waren. Kranten melden dat de Spaanse griep zich in Maastricht ‘gestadig uitbreidt’. En: “enkele scholen zijn al gesloten, terwijl de andere scholen maar door ongeveer de helft der kinderen worden bezocht. Met het oog op besmettingsgevaar zijn ook reeds twee bibliotheken gesloten.” “Op bevel van de burgemeester zijn alle schouwburgen, cinema’s en scholen tot nader order gesloten. Het houden van openbare vergaderingen en bijeenkomsten is verboden.” Een bidweg op 25 november 1918 waarbij de noodkist werd meegedragen, net als het beeld van de Sterre der Zee en het beeld van de heilige Rochus – die aangeroepen wordt bij besmettelijke ziekten – gaf de Maastrichtse burgers moed en hoop.

Carnaval 1991
Een meer recent voorbeeld van een vergrendeling was carnaval 1991, toen men het niet opportuun vond om tijdens de Golfoorlog in Irak een ‘feestje te vieren’ in Maastricht. Van de ene kant begrijpelijk – het was een vreselijke oorlog – maar tevens weinig consequent, want bij andere oorlogen elders in de wereld ging carnaval gewoon door. De ironie was dat de Amerikaanse aanvallen op Bagdad op televisie waren te bekijken, alsof het amusement was. Het café waar de auteur van dit artikel destijds werkte had in de zaak een cynische aankondiging opgehangen: “a.s. zondag: oorlog kijken”. Dat jaar had burgemeester Houben het besluit genomen om alle officiële festiviteiten af te gelasten, waaronder de carnavalsoptocht. Net zoals nu al is aangekondigd dat carnaval 2021 zonder optocht zal verlopen. Carnaval trok destijds minder volk, maar met Hermenie Veur de Bok zun Kloete hadden we nog nooit zoveel plezier. Ook sommige café-eigenaren in Maastricht hadden hun zaak uit meelevendheid gesloten. Dat leverde begrip, maar ook onbegrip op. Café De Bóbbel in de Wolfstraat had de ruiten dichtgetimmerd met grote houten platen, die velen aanspoorden om hun hart te luchten en hun mening te geven (dat was natuurlijk in de pre-internet-periode). Naast kritiek, bijval, nuancering en zelfs gedichten viel één uitspraak op: “Nol, de bis ‘n awk*t” (gecensureerd ew). Niet iedereen was het met zijn sluiting eens, zullen we maar zeggen.

Engelse en Maastrichtse terminologie
Tenslotte nog een korte gedachte over de terminologie die landelijk gebruikt wordt. De trend om alles te verengelsen gaat steeds verder: lockdown, outbreakmanagementteam, monitoren. De Engelse terminologie: “lockdown” is natuurlijk gewoon slecht Nederlands voor “vergrendeling” of “opsluiting”. Zelf gebruik ik consequent “stadsvergrendeling” als het over stadse maatregelen gaat of “vergrendeling” in meer algemene zin. En als het weer losser wordt, is de term “ontgrendeling”. Als je consequent Engels denkt te moeten gebruiken, zeg dan niet “lock-up” (echt gehoord; het betekent ‘opsluiten’) of “un-lock”, maar “open up”. Dat is op zijn minst correct en consequent. De Fransen zijn de oude aartsvijanden van Engeland en gebruiken natuurlijk geen Engelse woorden. Een computer heet in Frankrijk een ‘ordinateur’ (in Duitsland een ‘Rechner’) en ze hebben voor ‘lockdown’ een mooi woord in de eigen taal: “confinement”. Duitsers gebruiken het beduidend minder poëtische “Ausgangssperre”. Kunnen we in Nederland niet gewoon vergrendeling zeggen? Of afsluiting? En hoe willen we de “vergrendeling” in het Maastrichts noemen? Tôwsleeting? Sleetingsrezjiem? Cité Fermée? Of kiezen we in Maastricht volgens goede gewoonte voor een Frans woord, dat we ietsje verbasteren en waarbij we met name de laatste lettergreep naar oud gebruik lekker lang trekken? Dat zou betekenen dat we kiezen voor het woord “kofinemint”, waarbij de laatste lettergreep wordt uitgesproken (en lang getrokken!) zoals in ‘justemint’ en ‘complemint’. Dan wordt het deze herfst en winter “het kofinemint vaan Mestreech” dat onze dagorde gaat bepalen. We zullen zien.

Wilt u reageren op dit onderwerp of meepraten over het Maastrichtse woord voor ‘lockdown’? Ga dan naar onze Facebookpagina en deel uw commentaar of suggestie. We horen graag van u!

Eric P.G. Wetzels
Hoofdredacteur Jaarboek Maastricht



Lees ook