Laurens Bouvrie
TIM-verslaggever 29 maart 2020

Lunchen (op afstand) op een bed narcissen; bibberen langs de Maas

Het is een unieke tijd vol kommer en kwel voor de direct COVID-19 getroffenen; als gezond individu heb je geen notie hebbend wat het coronavirus met een mens doet; alleen een bang vermoeden. Wellicht voor menigeen niet meer dan dooddoeners, stadschroniqueur Laurens Bouvrie zegt er flink wat houvast aan te hebben: zo veel als kan positief blijven, waar mogelijk het leven verrukkelijk vinden (inclusief een regelmatige lach) en het zo gewende dagelijkse ritme weten vast te houden. Ook als het bij aanvang van de zomertijd kouder is dan welke winterdag dan ook. Twee keer per week schrijft en fotografeert hij over zijn bevindingen van Maastricht tijdens de coronacrisis.

Na twee behoorlijk aangename voorjaarsdagen fungeert zondag 29 maart als de man met de hamer in een wielerpeloton. Rond de tijd dat in normale tijden de hoogmissen van de Maastrichtse kerken beginnen en in gewone bij mooi weer lentetijden terrassen die in de zon vertoeven vollopen, is het op de fiets bitterkoud. Met enige cynisme denk je dan al snel: wordt tijd dat we met zijn allen weer snel flink gaan vervuilen om de aarde weer eens flink op te warmen. Die gedachte laat ik met mijn kalende kop vol tegen een ijzige noordenwind maar snel wegwaaien. Al snel kom ik door mijn ogen de kost te geven op andere gedachte. Zoals: ben ik alleen in Maastricht. Uren later en na nog een ommetje weet ik het wel zeker: dit is de stilste zondag uit de geschiedenis van Maastricht.

Twee dagen eerder – afgelopen vrijdag dus – was van die stilte in hartje Maastricht geen sprake. Relatief gezien dan.  Wandelaars, joggers, ouders met kinderen. Je ziet ze overal. Maar wel zoals we met zijn allen hebben afgesproken. De gepaste afstand zit bij vrijwel ieder goed in het hoofd geprent. Dat geeft mij een fijn gevoel. De ‘schijt-aan-corona-feestjes’-debielen en andere malloten delven flink het onderspit. Tenminste dat valt op te maken uit de berichten van landelijke en lokale media uit alle winstreken. Met het zonnetje op het aangezicht en een met , naar ik hoop, veel liefde gemaakte take-away capuccino door Josje van Bakker Bart, lees ik op de trapjes voor Servaos mijn kranten. Geen bezoek op afstand deze keer. Ik betrap mij op het gevoel dat ik de stilte van de binnenstad en het lege plein om mij heen prettig vind. Ik bedenk dan ook maar dat de mensen die normaal met mij van doen hebben genieten niet naar mijn eeuwige gewauwel hoeven te luisteren. Zo zie je maar weer ook in de cornavirus-tijd kun je zomaar een win-win situatie vinden dan wel creëeren.

Die aangenaamheden zijn in de zondag van dit weekend niet te vinden. De weinige mensen die op straat zijn hebben hun hoofden diep in hun winterjas gestoken. Ondanks handschoenen op de fiets voel ik de koude wind mijn vingers vinden. Toch wint nog een keer de positivo in mij het van deze gure dag.  Op de Sint Servaasbrug zag ik het al. De Maas voert een niet alledaags gevecht tegen een strakke noordenwind. Het water op weg van zuid naar noord vindt dusdanig weerstand van deze flinke bries dat de rivier ‘zeetrekjes’ vertoont. Niet alleen heuse schuimkoppen laat de rivier zien; de wind die over het water jaagt zorgt zelfs voor golven die je normaal alleen op de Maas ziet bij het voorbij gaan van een flink uit de kluiten gewassen vrachtschip. Een passant wil ik in mijn enthousiasme wijzen op deze niet alledaagse vertoning; ter hoogte van de trapjes bij Complex kijkt de man mij aan met een blik die verraadt: “Fijn veur diech gas, iech gaon hei get nao dat kaajd water loere in de nog kawwere wind”. Ik laat de Maas achter mij en maak nog een rondje. Via een vrijwel verlaten station trakteer ik mij bij Van Wyck op een zeer goede en vooral heerlijke cappuccino van Van Wijck. Na nog wat plaatjes hier en daar geschoten te hebben van coronavirus-mededelingen in tal van variëteiten is het tijd om thuis op te warmen. De laatste honderden meters begint het licht te sneeuwen. De zomertijd is koud begonnen of het sneeuwt al verzin ik op mijn fietsje.

Voor dat soort flauwe woorden fantasietjes had ik zaterdag geen tijd. Ik ben op zoek naar wat kleur in het Maastrichtse leven. Behalve het staalblauw van het firmament geven vooral narcissen op tal van plakken de stad, toch in ieder geval grasvelden en omgeving, kleur. Op deze mooie en in temperatuur aangename dag krijgen de bloemen vanzelfsprekend snel kompenei. Vooral gezelschap van jonge mensen die toch graag even een in de buitenlucht willen vertoeven. Wil de een zijn energie kwijt aan rekstokken en opdrukken. Anderen zien meer in een gezamenlijke lunch ‘op afstand’. Ze zitten daar waar normaal de feesttent staat van de Duckrace. Toevallig diezelfde dag verneem ik dat het badeendenfeestje van Ronde Tafel 174 is afgelast. Maar wel aan een grasgroene ‘tafel’ vol met gele bloemen. Voor wie het nog niet is opgevallen – voor iedereen die wel eens in hartje Maastricht komt dan wel eens thuis een maaltijd laat brengen bijna onmogelijk: de stad kleurt steeds meer oranje. Steeds meer bepalen de in de kleur van ons Koningshuis gestoken bezorgers van thuisbezorgd.nl het (kleur)beeld van de Markt. Het plein voor het stadhuis is de wachtruimte geworden van de jongens en meisjes die hun inkomsten vergaren door met een e-bike van hot naar her de de Maastrichtenaar met appetijt te bedienen met iets ‘vettigs’, iets ‘gezonds’ of iets anders  dat het predikaat eten heeft. Gelijk meeuwen vertoevend op hun vaste stekjes langs het water zitten de koeriers in slagorde naast elkaar; altijd weer klaar om full speed richting Wittevrouwenveld, Belfort of Heugem te crossen. En dat zal zeker zolang Maastricht voor een groot deel ‘op slot’ is heel vaak zijn.

 

 

 

 

 



Lees ook